Home » Artikel
Column van Mark van Ostaijen

Meritocratische muren

Column van Mark van Ostaijen
Het zijn meritocratische tijden. Zo las ik laatst The Meritocracy Trap van Daniel Markowitz en The Class Ceiling van Samuel Friedman en Daniel Laurison. Allebei intrigerende bijdragen (vooral The Class Ceiling, lees dat boek!) die op geheel eigen wijze de vloer aanvegen met het meritocratische ideaal van sociale stijging op basis van individueel talent, inzet en prestatie. Alleen voor heel specifieke bevolkingsgroepen gaat die meritocratische vlieger nog op, maar degene die als stuiver wordt geboren hoeft er steeds minder op te rekenen dat hij of zij voor een dubbeltje door kan gaan.

Sinds de Britse socioloog en politicus Michael Young (1915-2002) The Rise of the Meritocracy (1958) schreef, is zijn boek haast een selffulfilling prophecy geworden. Dat is tamelijk ironisch, want zijn boek is bepaald geen lofzang, eerder een kritisch pamflet en politieke satire op de meritocratie als dystopie. Hij beschrijft hoe ons samenleven anno 2058 wordt beheerst door intelligentie: degenen met de beste hersens, niet gehinderd door afkomst, rang of stand, zijn er de baas. Er is een zwarte markt waar bevoorrechte ouders baby's met gegarandeerd hoogwaardige hersens kunnen kopen, als ze zelf niet in staat zijn nageslacht met de nodige slimheid voort te brengen. In Youngs dystopie is de meritocratie een wrede klassenmaatschappij. Paradoxaal genoeg werd dit schrikbeeld door de latere Britse premier Tony Blair omarmd als het 'meritocratische ideaal'.

En die gedachte van de meritocratie als ideaal leeft nog steeds, ook in Nederland, getuige het verkiezingsprogramma van D66: 'Niet je afkomst of religie, of de rijkdom, positie of opleiding van je ouders mogen bepalend zijn. Talent en inzet zijn de enige factoren die het succes van het individu bepalen.' In sommige kringen wordt dan 'niet de afkomst maar de toekomst' als uitgangspunt genomen. Zeker onderwijs pretendeert kansengelijkheid, maar juist onderwijs blijkt een ongelijkheidsmotor te zijn. Volgens de onderwijskundige Louise Elffers is er inmiddels een 'onderwijscompetitie en bijlesindustrie uitgebroken'. Niet voor niets is de huidige 'diploma-democratie' daar een gevolg van. Het lijkt de tragische consequentie van het meritocratische ideaal.

Is het dus over met dat meritocratische ideaal? Ik denk dat dit een valse vraag is. Sociale stijging kan nooit een doel op zichzelf zijn, maar een middel om hardnekkige vormen van relatieve deprivatie onder bepaalde bevolkingsgroepen tegen te gaan. Niets is zo frustrerend als te verkeren in een sociaal, cultureel of geografisch isolement met beperkte mogelijkheden om je te ontworstelen aan het sociaal of cultureel kapitaal van ouders of familie. Ook het Europese vrije verkeer is daarop gebaseerd, waarin Europeanen zich vrijelijk kunnen bewegen op een Europese arbeidsmarkt. Het gaat voorbij aan de schrijnende situaties waar mobiele werkers in terecht komen. Laat staan hoe confronterend dit is voor de achterblijvers, zoals filosofe Marli Huijer zo treffend beschreef.

Het is belangrijk om laddertjes te creëren om op én af te kunnen klimmen, maar het is minstens zo belangrijk om te weten tegen wat voor soort muren dergelijke laddertjes staan. Zonder te onderzoeken wie welke muren in standhoudt en met welk belang, blijven hardnekkige vormen van structurele ongelijkheid intact. Meritocratische idealen zijn doorgaans te veel gericht op het stimuleren van sociale stijging en het creëren van mooie laddertjes, in plaats van het bekritiseren en afbreken van dominante muren. Laten we wat meer muren beslechten, dat lijkt me een mooi meritocratisch ideaal.

Dit artikel verscheen eerder in Sociologie Magazine: 

Details

Structuur: