Home » Artikel

“Ook een kinderfeestje kent machtsverhoudingen”

Feesten en rituelen brengen de machtsverhoudingen in de samenleving aan het licht. Antropoloog Irene Stengs wijst ons op belangentegenstellingen bij de kinderverjaardag, de polonaise en 5 mei. Ook verklaart zij de aantrekkingskracht van feesten als zintuiglijke ervaring. “Feestvierders zoeken iets dat hen weer bij zinnen brengt.”

Door Marije Schoonen

De kleurige Thaise kookboeken liggen als een waaier verspreid over de huiskamertafel. Terwijl Irene Stengs ze aan de kant schuift licht ze toe: ‘Mijn dochter is binnenkort jarig, dus zijn we bezig met de feestelijke heerlijkheden’. Een toepasselijke binnenkomer bij antropoloog en etnografisch onderzoeker Stengs, sinds 2002 werkzaam bij het Meertens Instituut als projectcoördinator Hedendaagse feestcultuur in Nederland. Het project is in de afrondingsfase en wordt gevierd met het verschijnen van enkele publicaties.

Uitgenodigd
Wat maakt feest en ritueel interessant voor de sociale wetenschapper? ‘Feesten en rituelen zijn een goed beginpunt om erachter te komen wat er speelt in de samenleving. Dan manifesteren zich belangentegenstellingen en machtsverhoudingen tussen mensen.’ Zelfs de stap naar het verjaardagsfeest van haar dochter is snel gemaakt. ‘De kinderverjaardag is misschien wel het meest bescheiden feestje dat je kunt bedenken. Maar ook hier vertonen zich machtsverhoudingen. Het verjaarsfeestje is het moment waarop kinderen in de klas laten zien hoe populair ze zijn. Het is een moment om mensen aan je te binden, een vingeroefening in sociaal bezig zijn. Er worden keuzes gemaakt over wie de klassen mee rond mag en wie er wordt uitgenodigd op het feestje. De lijnen die er lopen in de klas, in de zin van relaties, worden op dat moment zichtbaar. Ook bij zo’n huiselijke aangelegenheid manifesteert zich het aspect van macht. Daarom is feest en ritueel zo’n mooie invalshoek voor sociologisch en antropologisch onderzoek.’

Hossend over straat
Een mer à boire, noemt Stengs haar onderzoeksgebied. Er zijn veel beschrijvende boeken over feesten, maar de vraag die Stengs interesseert is wat zo’n feest doet in het leven van mensen. Met als rode draad het laten zien van de politieke kant van feesten en rituelen. Ook al wordt dat niet zo gepercipieerd door degene die ze vieren en er naar kijken. Stengs: ‘Als wij hossend over straat gaan, denken we niet aan de betekenis van het feest. Neem Koninginnedag, daar is de relatie met de politiek zonneklaar.

Ook bij 5 mei, een nationale feestdag geïntroduceerd in 1990, zijn de politieke connotaties overduidelijk, aldus Stengs. ‘Er is jaren over gediscussieerd of het een nationale feestdag moest worden, want dat betekent een vrije dag, met alle economische consequenties. Een ander aspect dat speelt bij 5 mei is dat de oorlog voor jongere generaties niet de vanzelfsprekende betekenis heeft als voor de oudere generaties. Om 5 mei als nationale feestdag levend te houden wordt daarom gezocht naar manieren om die dag meer inhoud te geven, zowel door de overheid als door andere organisaties. Om de jeugd er bij te houden wordt Bevrijdingsdag nu ook de Dag van de Vrijheid genoemd, waardoor het feest een universelere uitstraling krijgt. Zo komen ongemerkt brede politieke kwesties aan de orde.’

Suikerfeest als statement
‘Een ander publiek feest waarover veel gebakkeleid wordt is het Suikerfeest. De kwestie is of het Suikerfeest een nationale of landelijke feestdag moet worden. Het feit dat die discussie plaatsvindt laat zien dat het om een politiek vraagstuk gaat. Als wisselgeld komt vaak tweede Pinksterdag tevoorschijn, want die dag heeft voor de meeste mensen geen religieuze invulling. De gemiddelde Nederlander gaat er dan op uit: naar de Meubelboulevard, wandelen of een weekendje naar Center Parcs. De tweede Pinksterdag opgeven ten bate voor een vrije dag voor het Suikerfeest gaat het merendeel van de Nederlandse bevolking te ver. Dan wordt die dag aangevoerd als onlosmakelijk verbonden met de Nederlandse cultuur. Mensen die voorstander zijn van het Suikerfeest als officieel feest willen juist een statement maken: laten zien dat ze openstaan voor mensen met een andere religieuze achtergrond. Interessant is bovendien dat er hier een tweedeling ontstaat tussen stad en platteland, omdat in dorpen maar weinig mensen Suikerfeest vieren.’

Stengs laat in een binnenkort te verschijnen bundel zien hoe vieringen door migratie veranderen. Stengs: ‘Onze doelstelling is om die verschillende werelden te laten zien, waarbij ik het vermoeiende discours waarbij mensen gereduceerd worden tot hun cultuur probeer te overstijgen.’

Carnaval in Amsterdam-West
Andere feesten zijn juist verbonden aan een bepaalde plek, zoals centraal staat in een volgende publicatie. ‘Wat mij intrigeert is dat mensen in lokale feesten iets eigens vinden. Terwijl die feesten voor een belangrijk deel op elkaar lijken, met weer een braderie of optocht.’ In die categorie vallen ook feesten die als specifiek voor een bepaalde streek of provincie worden beschouwd, zoals Luilak (Zaanstreek), Sint-Maarten (onder andere de noordelijke provincies) en carnaval (Limburg en Noord-Brabant).

Hier komt Stengs’ eigen etnografisch onderzoek om de hoek kijken. ‘Ik ontdekte dat er in Amsterdam-West enkele carnavalsverenigingen actief zijn. “Het zit ons in de genen”, wordt er in het Zuiden gezegd. Maar nu blijkt dat die Amsterdammers vinden dat ze dat ook heel goed kunnen. Hoe zit dat dan met die lokaliteit van feesten?’, vraagt Stengs zich af. Carnaval verspreidde zich na de oorlog vanuit het Zuiden naar het Westen en Noorden van ons land. Inmiddels hebben de meeste niet-zuidelijke verenigingen het loodje gelegd, maar de overgeblevenen zijn zeer actief. Osdorp verandert jaarlijks in Knardorp en Geuzenveld in Kneuterburcht. Dus werd Stengs lid van de Geuzenkneuters, de carnavalsvereniging van Geuzenveld. Ze mocht mee op hun dweilbus om vervolgens in polonaise het Sloterparkbad te betreden en zich te laten ontroeren door bejaarden in vreemde hobbezakken en clownspakken.

Stengs: ‘Ik kwam in aanraking met een “verborgen” carnavalswereld. Mijn eerste verbazing betrof de context van de carnavalsoptocht door het winkelcentrum: een honderd procent autochtoon initiatief, gehouden voor een publiek dat voor driekwart bestond uit mensen met een allochtone achtergrond, buurtbewoners die zelf weinig animo toonden. Dat roept de vraag op wie die mensen zijn die een feest proberen te bouwen in een omgeving die daar onverschillig voor lijkt te zijn. Het rituele haringhappen is hierin veelzeggend: hier ontmoeten de actieve carnavalsvierders van nu en van vroeger elkaar.’

Dit artikel is een deel van het eerder verschenen artikel uit Sociologie Magazine nummer 1 van 2009. U kunt dit nummer nabestellen.