Home » Artikel

De maatschappij als zombie

In zijn onlangs verschenen boek Denken in een tijd van sociale hypochondrie rekent de Rotterdamse socioloog Willem Schinkel af met de samenleving. Een zombiecategorie, noemde de Duitse socioloog Ulrich Beck het begrip ‘samenleving’; in de werkelijkheid bestaat het niet meer, maar sociologen blijven het maar gebruiken. En dat is erg, vindt Schinkel. Sociologen lopen mee met de stroom, terwijl ze radicaal zouden moeten breken met oude tradities. De sociale wetenschap is niet vernieuwend, omdat ze zich schikt in het organicistisch denken; denken in termen van een geheel –de samenleving– dat bestaat uit delen met elk hun plaats en functie.

In dit interview legt Schinkel zijn bezwaren uit. Jan Willem Duyvendak en René Gabriëls treden op als recensenten.

 Uw boek ‘Denken in een tijd van sociale hypochondrie’ is gebouwd rond de opvatting dat ‘de samenleving’ een misverstand is. Dat is een boude bewering; de sociologie is toch juist verbonden met het ontstaan van de samenleving?

‘Je kunt de vraag stellen: hoezo is de sociologie verbonden aan de geboorte van de maatschappij? De maatschappij is een wetenschappelijk construct dat funderend werkt voor de sociologie. De maatschappij is het alibi van de sociologie zou je kunnen zeggen.

’ U noemt de maatschappij een sociale uitvinding?

 ‘Ja, maar dat idee heerste al in de negentiende eeuw. In 1858 bijvoorbeeld stelt de Zwitser Lorenz von Stein dat over het maatschappijbegrip niet voldoende is gereflecteerd. Een organicistisch denken overheerste. De nationale staat, dat was de samenleving en de samenleving was een geheel dat bestaat uit delen. Als je dan nu analyseert: wat is de maatschappij dan? Dan is het gewoon maar een geponeerd iets. De sociologie heeft in ‘de maatschappij’ een algemeen kader gevonden. Daarover wordt niet wezenlijk gereflecteerd. Dat is een fundamenteel probleem.

’ Waarom is het zo’n probleem?

 ‘We zien de samenleving quasi-religieus, het is een morele orde, daar streven we naar. Als je spreekt over een maatschappij die bestaat uit individuen, en bepaalde individuen die niet geïntegreerd zijn, dan ga je alleen kijken naar die lui die buiten de maatschappij staan. Er zijn nietgeïntegreerden, die zich nog moeten ontwikkelen, zich moeten bewijzen voor ze bij de maatschappij horen. En sociologen ratificeren en legitimeren dat. Dat is een voorwetenschappelijk idee. Dat zou je niet over moeten nemen als socioloog.’ Vindt u dat sociologen zich laten gebruiken om de boel bij elkaar te houden?

‘Ja en ik ga nog een stap verder. In de praktijk zorgt dat juist voor meer exclusie. Het effect is gewelddadig.’ U stelt in uw boek dat sociale wetenschap die het samenlevingsbegrip niet analyseert ‘pseudowetenschap’ is, en noemt daarbij ook gerenommeerde sociologen als Paul Schnabel. Waarom? ‘Dat is natuurlijk bedoeld om iets los te maken. De sociologie kan niet beginnen met het onbereflecteerd overnemen van een concept dat voorwerp van onderzoek zou moeten zijn. Dat is een onmogelijkheid. Dan zitten we nog in een voorwetenschappelijk stadium.’ Maar is het bekritiseren van het begrip ‘samenleving’ niet gewoon een taalspel?

‘Afdoen als “dat is maar taal”, ontkent het hele idee dat taal fundamenteel is voor het sociale leven.’

 U zei voor dit interview dat er mensen zijn die niet met u in debat willen. Waarom is dat denkt u?

‘Zij zien de sociologie als de wetenschap van de samenleving. En ik ondergraaf die wetenschapsopvatting.’ In uw boek wilt u niet spreken van migranten die nietgeïntegreerd zijn. Weg met het oude vocabulaire - waarom? ‘We moeten daar radicaal mee breken ja. Het is onzinnig te spreken van “samenleving” en niet-geïntegreerde personen. Het is hopeloos achterhaald en het is contraproductief.’

Is uw kritiek ook op andere terreinen dan integratie van toepassing?

‘Van een gedetineerde zeggen we bijvoorbeeld dat die gereïntegreerd moet worden, die staat buiten de samenleving. Alsof de gevangenis geen onderdeel is van de samenleving! Of sociale mobliteit: we denken vaak in termen van de bovenkant van een samenleving en de onderkant. De idee is dat hogerop komen gelijk staat aan een betere opleiding en meer geld. Dat moet je niet voor waar aannemen, dat moet je analyseren. Kunnen we ook zonder die begrippen? Ik zou zeggen: we moeten zonder die begrippen. Als je bang bent voor Franse toestanden moet je niet bang zijn voor de onderklasse. Als je die buitensluit dan krijg je die juist tegenover je.’  

Dit artikel verscheen eerder in Sociologie Magazine: 

Auteur: 

Ellie Smolenaars