Home » Artikel

Witte rockfestivals

Waarom blijft rockmuziek een wit bastion? Julian Schaap schreef voor Sociologie Magazine over de huidskleur van muziek: 'Heeft Elvis het pand verlaten?'

Door Julian Schaap

Waarom blijft rockmuziek een wit bastion? Julian Schaap schreef een artikel voor Sociologie Magazine over de huidskleur van muziek 'Heeft Elvis het pand verlaten?'

'Ik denk dat ik niet de juiste man ben omdat er veel controverse over mij bestaat ten tijde van mijn opkomst van de groep in de popmuziek. Ikzelf ben altijd 'gespleten' geweest over wat ik het genreprobleem noem. Je ziet nu tegenwoordig dat gekleurde mensen zich geforceerd laten voorstaan dat ze met 'andere invloeden' bezig zijn maar het verschil is, a). ze gaan niet eens zo ver en is het altijd de 'veilige kant' en b). ze doorleven het niet. Ik zelf heb alles zelf altijd gedraaid als jongeling en bemoeide mij niet met wat ze zwarte muziek noemen (overigens is eigenlijk bijna alles zwarte muziek).'

Etniciteit en muziek

Met deze woordenstorm liet vocalist Patrick Tilon – beter bekend als Rudeboy – ons per e-mail weten absoluut niet geïnteresseerd te zijn in deelname aan een discussiepanel over ras, etniciteit en populaire muziek. Het was oktober 2014 en over precies een maand zou ons internationale publiekssymposium Elvis has finally left the building? Bridging ethno-racial boundaries in popular music and in Rotterdam and beyond plaatsvinden. En het strikken van de bekende zanger van onder meer Urban Dance Squad en Junkie-XL was verworden tot een speerpunt van de avond die wij voor ons zagen. Een eerdere poging om Vernon Reid – de charismatische gitarist van eighties rockband Living Colour en oprichter van The Black Rock Coalition – te strikken, was op de valreep mislukt om financiële redenen. Rudeboy moest en zou komen, juist omdat zijn argumenten om niet te komen, precies dezelfde argumenten waren waarom wij hem als speciale gast wilden uitnodigen voor onze avond.
 
Al tijdens het prille begin van de organisatie bleken ras, etniciteit en muziek een onverwacht groot publiek aan te spreken. Misschien – op macro-niveau – leidt de constante druk van overheidswege op de geestes- en sociale wetenschappen tot een impliciet verworven Calimero-syndroom waardoor we denken dat er een afnemende interesse is voor sociaalwetenschappelijke thematiek, wat dus absoluut niet het geval is. Zeker in een periode waarin Nederland in toenemende mate polariseerde op basis van het Zwarte-Piet-debat, bleek een symposium over het verband tussen etno-raciale groepen en muzieksmaak een welkome afwisseling binnen het brede scala van (vaak heetgebakerde) debatavonden over institutioneel racisme in Nederland.

Cultuursociologie

De koppeling van ras-etniciteit enerzijds en muziek anderzijds heeft een lange, maar veelal onbesproken geschiedenis. Het algemeen credo luidt dat muziek mensen samenbrengt op een manier die potentiele barrières in de vorm van bijvoorbeeld gender, opleidingsniveau, taal, socio-economische achtergrond en nationaliteit irrelevant acht. Hoewel deze vlieger in veel gevallen lijkt op te gaan, blijven genres, artiesten en muziekscènes waar niet-witte artiesten een dominante rol spelen, geclassificeerd op basis van ras en etniciteit (i.e. 'zwarte muziek').
Paradoxaal gebeurt dit andersom niet: muziekgenres waar witte muzikanten de boventoon voeren (denk aan rock, heavy metal, indie) worden zelden tot nooit langs etno-raciale lijnen gegroepeerd; zo blijkt alleen al uit het toch vaak vreemde gevoel dat de term 'witte muziek' of 'witheid' oproept wanneer we het hebben over muziek.
 Binnen de cultuursociologie wordt een dergelijke omgang (of eigenlijk een gebrek aan bewuste omgang) met ras en etniciteit geïnterpreteerd als 'kleurenblind' racisme. Uit het werk van de Amerikaanse socioloog Eduardo Bonilla-Silva blijkt dat kleurenblind racisme een gevolg is van de maatschappelijke afkeuring om ras en etniciteit te 'zien' en daardoor te bespreken. Racisme blijft hierdoor echter wel gewoon bestaan, het wordt alleen niet meer expliciet (zoals in de radicaal racistische vormen van de Ku Klux Klan of andere witte superioriteitsorganisaties) geuit. Dit heeft als gevolg dat het bestaan van een 'witte cultuur' steevast wordt ontkend, terwijl alle niet-witte varianten wél worden gezien. Met andere woorden: witheid als etno-raciale categorie blijft onzichtbaar, en het daarbij behorende witte privilege (in de vorm van voorkeursbehandelingen op bijvoorbeeld de arbeidsmarkt of in de media) blijft onaangeroerd.

Antropologe Philomena Essed

Hoewel de Nederlandse antropologe Philomena Essed met haar boek Inzicht in alledaags racisme al in 1984 aantoonde dat Nederland lang niet vrij was van racisme, liet de Zwarte-Piet-discussie van de afgelopen jaren zien dat hier in ruim dertig jaar eigenlijk nog bijzonder weinig aan is veranderd. Terminologie uit werk van Essed, sinds 2005 hoogleraar Critical Race, Gender and Leadership Studies aan de Antioch University in de Verenigde Staten, zoals 'institutioneel racisme' en 'cultureel racisme', wint sindsdien aan hernieuwde relevantie. Want net als in Obama’s veronderstelde 'post-raciale' Amerika, waar het idee heerst dat ras en etniciteit er niet meer toe doen, luidt het breedgedeelde Nederlandse argument dat racisme in Nederland nauwelijks meer bestaat. Doorgeredeneerd zou juist daarom een raciaal gestereotypeerde figuur zoals Zwarte Piet door de beugel moeten kunnen.
 Critici die zich verongelijkt voelen door Zwarte Piets voorkomen worden verweten te ver te gaan in hun aantijgingen en zich onnodig in een slachtofferrol te wringen. De beschuldiging van kunstenaar Quincy Gario dat Zwarte Piet racisme is deed het stof extra opwaaien, juist omdat het in dit geval dus gaat om een vorm van impliciet, kleurenblind racisme, en niet om het expliciete racisme dat we associëren met uitgesproken racistische organisaties. Dit kleurenblinde racisme is echter wel exact datgene dat een verdere verkleining van de kloof van ongelijkheid tussen witte en niet-witte mensen in de weg staat, juist omdat het gevallen van etno-raciale stereotyperingen en racisme beschouwt als irrelevant en – belangrijker – een gevalletje van aanstelleritus. In de woorden van een van Essed’s respondenten uit 1984: “Ze willen ons doen geloven dat racisme niet meer bestaat. Want als je gelooft dat het niet bestaat, kun je er ook niet tegen vechten.”

Alumna van Kaapverdiaanse afkomst

Toen het symposium in oktober naderde, de locatie (met ruimte voor 150 bezoekers en een band) was geregeld en de flyers werden bezorgd, was het tijd voor het zweet om uit te breken. De olifant in ons kantoor: als we slechts promotie doen in de Rotterdamse popscene en het hoger onderwijs, staan we dan straks niet – zoals op zoveel conferenties – met een groep louter witte mensen te praten over etno-raciale diversiteit? Helaas werd pijnlijk duidelijk dat onze directe vrienden- en collegakring vrij wit was. De Turkse en Antilliaanse schoonmakers op onze faculteit toonden interesse, maar het was vooral een alumna van Kaapverdiaanse afkomst die soelaas bood door te vertellen dat we ons richting communicatiecentra van de Kaapverdiaanse gemeenschappen in Rotterdam moesten begeven: de kapsalon en buurtwinkel.
 Terwijl mijn collega en medeorganisator Pauwke Berkers de regenachtige wegen van Rotterdam trotseerde op zijn fiets en daarbij in voor hem onbekende gebieden terechtkwam (een warm welkom bij kapsalon Ana Paula, kapsalon Tina, café Lisboa en winkel Adega Portugesa), probeerde ik – tussen het Twitteren, Facebooken en het regelen van camera’s door – Rudeboy alsnog warm te krijgen voor ons symposium. Na drie telefoontjes was het gelukt: Rudeboy, de man die Rage Against the Machine zijn invloeden gaf, kwam.

Wereldmuziek en sociologie

Voor de opkomst van de eerste grote witte rockartiesten zoals Carl Perkins, Jerry Lee Lewis, Roy Orbinson en natuurlijk Elvis Presley in de vroege jaren 50, werd rock ‘n’ roll hoofdzakelijk gespeeld en geluisterd door zwarte Amerikanen. Deze associatie (die destijds ook gold voor jazz) leidde ertoe dat rockmuziek en haar voorgangers systematisch werden verdrukt door de opkomende muziekindustrie en ongeschikt geacht werden voor witte luisteraars in een ernstig raciaal gesegregeerd Noord-Amerika. Desondanks stond er na de Tweede Wereldoorlog een nieuw publiek op dat zocht naar originele, innovatieve en vooral 'wildere' muziek, waarvan rock ‘n’ roll en jazz uitstekende voorbeelden waren.
 Uit angst voor de potentiële morele achteruitgang van de witte jeugd van de Verenigde Staten bleven platenmaatschappijen onwillig om muziek van zwarte artiesten uit te brengen. Sam Philips, de oprichter van de bekende Sun Studio vatte het dilemma treffend samen: “If I could find a white man who had the Negro sound and the Negro feel, I could make a billion dollars.” Niet veel later liep een jonge Elvis Presley zijn studio binnen om zijn voorspelling waar te maken.
 
Heeft Elvis sindsdien het gebouw werkelijk verlaten? Volgens veel van de bezoekers van het symposium is het antwoord op deze vraag ontkennend: rockmuziek is en blijft een wit bastion dat blind is voor zijn eigen witheid. Experts vanuit de academie (Karl Spracklen, Jo Haynes, Linde Murugan) en uit het veld (Ilias Boudellah, Miriam Leah Brenner, Conchitta Bottse en natuurlijk Patrick 'Rudeboy' Tilon) lieten in interactie met het publiek zien dat een uitgesproken bewustzijn van ras en etniciteit als sociale constructies meer oplossingen zal bieden dan niets-vermoedende mensen racisme te verwijten. Juist een potentieel extreem divers genre zoals 'wereldmuziek' blijkt over een voornamelijk wit publiek te beschikken waar niet-witte leden worden geëssentialiseerd als exotische idealen: de andere kant van de medaille.
 Ons doel om mensen van diverse achtergronden samen te brengen om te praten over dit thema was behaald. Een kleine informele bijeenkomst voor aficionados was uitgegroeid tot een organisatorische kolos. Maar uit de tientallen online en offline reacties bleek dat het de moeite waard was geweest. Ras en etniciteit spelen, zo blijkt uit ons onderzoek én dit symposium, een belangrijke rol in hoe er wordt gepraat en geoordeeld over muziek. Muziek brengt mensen samen maar houdt ze ook uit elkaar op manieren die in de meeste gevallen niet in het oog springen en die niets te maken hebben met esthetische kwalificaties van muziek. Essentieel hierbij is dat binnen het kader van kleurenblindheid, racisme niet expliciet maar impliciet plaatsvindt.
 Een zwaarwegende term als 'racisme' werpt echter voorstellingen op van witte superioriteitsorganisaties, waardoor mensen zich bij confrontaties in het harnas gejaagd voelen. Het is belangrijk om voorbij deze primaire reacties te gaan en reflexief te bestuderen en te bespreken hoe institutioneel en onzichtbaar alledaags racisme (onbedoeld) voort worden gebracht door onze smaken en voorkeuren.

Op de hoogte blijven van het onderzoeksproject (en aansluitende evenementen en projecten) kan via elvishasfinallyleft.com, Twitter (https://twitter.com/elvishasfinally) en Facebook (facebook.com/elvishasfinallyleft).
 
Literatuur
Racism without Racists. Eduardo Bonilla-Silva (2003) Lanham etc.: Rowman & Littlefield Publishers Inc.
Whiteness and the Online Reception of Rock Music. Julian Schaap (September 2015) In: Popular Communication 13(3).

Julian Schaap (MSc) is als docentpromovendus werkzaam op de afdeling Kunst- en Cultuurwetenschappen van de Erasmus Universiteit Rotterdam.