Home » Column

'Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij'

Column van Mark van Ostaijen

Auteur: 

Ik draag deze column op aan Anton Zijderveld. Eergisteren ontving ik het bericht dat hij is overleden. Daarmee is Anton niet meer onder ons of 'onder professoren'.
 Hij laat 'een plankje' na, zoals hij dat zelf zo graag noemde. Een aanzienlijk plankje met mooie boeken. Over de parvenucultuur, over de spiegelwerkelijkheid van narren, over het institutionele imperatief, over de abstracte samenleving en de samenleving als schouwspel. Hij bedreef cultuursociologie, waarbij het vooral zaak is goed te leren kijken om dingen te zien.
 Anton leerde al heel vroeg om goed te kijken. Hij werd geboren in een andere wereld, in Malang, voormalig Nederlands-Indië, en zat al op jonge leeftijd gevangen in een Japans interneringskamp op Java. Hij overleefde maar ternauwernood de malaria en de invallende pemoeda’s. Daarom had hij het gevoel 'in blessuretijd' te leven, het zou zijn blik levenslang tekenen. Een blik op zoek naar geborgenheid, veiligheid en instituties die het leven mogelijk maken.
 Hij hield er enige misantropie aan over, alsmede een afkeer van de natuur. Dat kon hij compenseren met een onstilbare intellectuele honger. Bij Anton thuis trad je binnen in een andere wereld. Hij hield de wereld om zich heen graag op afstand door de oneindige rijen boekenkasten. Hij leefde een onaangepast leven, in de juiste, kritische en intellectuele zin van het woord. Hij was ook bijzonder muzikaal, op piano en cello. Maar ik ga hier geen zijig, klef of behaaglustig In Memoriam schrijven. Daar zou Anton van walgen.
 Veel heb ik met Anton over de dood gesproken. Hij was namelijk een expert op het gebied van clichés, dus dan is de dood nooit ver weg. Hij had er weinig verwachtingen over, laat staan over iets ná de dood. Hij zag de dood als 'de oneindige slaap, zonder dromen, het Absolute Niets en de Absolute Stilte' en zodoende toch 'best wel een wenkend perspectief'. Wat hem fascineerde was onze omgang met het sterven. Met milde ironie bedreef hij overlijdensadvertentie-sociologie en de mate van informalisering die hij daar meende in waar te nemen. Zijn onderzoek betrof vrijwel altijd vormen van institutionalisering. Hij heeft dat gethematiseerd binnen de verzorgingsstaat, politieke partijen, populisme, maar ook in ons gebruik van clichés, twijfel en humor.
 Met Anton deel ik een fascinatie voor Johan Huizinga, die met zijn Homo Ludens een schitterend cultuursociologisch inzicht toont in het belang van spel. Cultuur ontstaat niet als of uit spel, maar in spel, aldus Huizinga. Anton meende die luciditeit het beste waar te nemen in de personificatie van de zotheid, namelijk de (hof)nar. Dat leidde tot een van zijn mooiste boeken. Daarin toont hij hoe narren, met hun gespiegelde werkelijkheid, via uitvergroting, spot en ironie, een bron zijn van humor en vermaak.
 Tegelijkertijd is de nar ook het symbool van de dood. Want de dood is narrig. De dood is standenonverschillig en uiteindelijk nietsontziend nivellerend: het overkomt uiteindelijk iedereen. Of zoals Anton het destijds zelf schreef: 'De dood grijnst, omdat het leven slechts een episode is, die onherroepelijk in de dood eindigt. De nar grijnst omdat wij gewichtig onze rollen spelen en niet door hebben dat het uiteindelijk alleen maar spel is.'
 Bijzonder aan Anton was dat hij wel degelijk doorhad dat het uiteindelijk alleen maar spel is. Juist door dat spel en het spelen uiterst serieus te begrijpen, doorzag hij het spelletje en onze cultuur als geen ander. Maar het spel is uit. Er is afgefloten. Nu is zelfs zijn blessuretijd 'Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij', aldus zijn favoriete dichter J.C. Bloem. We gaan zijn erudiet spelende blik missen.