Nederlandse elites onder vuur

Nederlandse elites onder vuur

Tekst James Kennedy

Dit essay werd gepubliceerd in nr. 1 2017 (pp. 6-8) van Sociologie Magazine.

In de afgelopen decennia lijkt de kritiek op 'de elite' sterk te zijn toegenomen. Historicus James Kennedy reflecteert op deze ontwikkeling en gaat nader in op de kloof tussen de gevestigde politiek en de Nederlandse burgerij.

De 'elite' is een vies woord geworden, een venijnig thema in de Nederlandse en internationale politiek. Dat was niet het geval in 1995, toen ik over elites schreef in mijn boek Nieuw Babylon in aanbouw, over de jaren 60 in Nederland. Deze realisatie dwingt me tot een vergelijking tussen Nederlandse gezagsdragers van toen en nu, maar ook tot een reflectie op de kritische conclusies die ik destijds trok.
 In Nieuw Babylon in aanbouw verdedigde ik de stelling dat Nederland zijn 'tolerante en progressieve klimaat' dankt aan een 'heterogene groep behoedzame gezagsdragers' die zich zó druk maakte over het in de hand houden en kanaliseren van culturele en politieke ontwikkelingen, dat zij die ontwikkelingen paradoxaal genoeg zelf mogelijk maakte en zelfs stimuleerde. De belangrijkste brengers van vernieuwing waren dus mensen van wie omvangrijke veranderingen het minst werd verwacht. Hun ondergewaardeerde rol is cruciaal in het begrijpen van de metamorfose die Nederland in de jaren 60 doormaakte.
 Mijn eigen stellingname was in belangrijke mate geïnspireerd door de prominente politicoloog Hans Daalder, die een typisch Nederlandse vorm van regeren zag in het voortdurend 'schikken en plooien' van de Nederlandse regenten. Anders dan Daalder hanteerde ik een brede definitie van 'elites' en nam ik naast vertegenwoordigers van de gevestigde partijen, dagbladen, verenigingen en kerken ook intellectuelen onder de loep. Hun soepele, meegaande houding verbond ik aan een specifieke ervaring met de moderniteit in de naoorlogse jaren: men moest met de tijd meegaan, want alles was aan het schuiven, en alleen zo konden de samenleving en eigen instanties in goede banen worden geleid.

Vertekeningen

In mijn boek wilde ik twee vertekeningen rechtzetten. De eerste was de sociologische nadruk op de grote processen van modernisering, zoals secularisering, waardoor Nederland vanaf de jaren 60 transformeerde. Hoewel ik nooit ontkende dat deze processen een belangrijke rol speelden, vond ik het noodzakelijk meer aandacht te besteden aan de rol van actoren – in dit geval de elites. In de tweede plaats wilde ik bestrijden dat de 'revolutie' van de jaren 60 vooral een bottom-up-beweging was van studenten, demonstranten en de jongere generatie.
 Nieuw Babylon stond daarmee haaks op het invloedrijke boek Tegels lichten van de publicist Henk Hofland, dat in 1972 verscheen en een benepen beeld schetste van de Nederlandse elites. Hofland stelde dat zij eigenlijk helemaal niet wilden dat de burger 'gedecoloniseerd' zou worden. In mijn ogen kwamen veel vernieuwingen juist uit elitaire hoek, ze vonden daar in elk geval ondersteuning.

Ambivalentie

Nieuw Babylon in aanbouw velde geen systematisch oordeel over de Nederlandse elites, maar ik schreef dit boek natuurlijk in zijn eigen politieke context. Mijn archiefonderzoek deed ik in Nederland tussen 1991 en 1993, het boek schreef ik voornamelijk in de Verenigde Staten tussen eind 1993 en begin 1995. Volgens de heersende opinie in die jaren had de ideologie en het creatief individualisme van de jaren 60, afgezien van enkele geïsoleerde gebieden, overal getriomfeerd. In mijn ogen was Nederland een geordende samenleving met een rustige politiek, waarin traditionele elites en oude instituties nog steeds goed functioneerden. Het waren de laatste jaren van het premierschap van Ruud Lubbers, en tot de verkiezingen van 1994 leek zelfs de in de jaren 60 afgeschreven christendemocratie de sixties gemakkelijk te hebben overleefd. Van een oprukkend populisme leek geen sprake te zijn.
 Deze context verklaart de toon van het boek: deze is zowel academisch en afstandelijk, als ambivalent over de erfenis van Nederlandse elites. Aan de ene kant had ik waardering voor de virtuositeit van elites in het omgaan met de tekenen des tijds. Daardoor werden sociale veranderingen zo begeleid dat grotere of gewelddadige confrontaties voorkomen konden worden. En hoewel elites in wisselende mate enthousiast waren over de moderne ontwikkelingen, slaagden ze er bijna altijd in om hun organisaties tot in de jaren 90 overeind te houden.
 Aan de andere kant was ik – zij het impliciet – kritisch op deze elites. Ik vroeg me af of de meegaandheid van de elites niet slechts een teken van wijs pragmatisme was, maar ook van een ideologisch bankroet. Tegen het begin van de jaren 90 was het linkse ideologische elan van de jaren 60 verschrompeld, waardoor de indruk werd gewekt dat er sprake was geweest van een tijdelijke bloeiperiode die niet had kunnen voorkomen dat traditionele ideologieën verdwenen. De elites en hun instanties bleven goeddeels overeind, maar door gebrek aan innerlijke bezieling waren ze kwetsbaar geworden.

Ideologische leegheid

Ik was kritisch op een politiek waarin keuzes al te gemakkelijk werden gemaakt onder verwijzing naar de tijdgeest, maar waarin het maken van moeilijke politieke keuzes in feite werd vermeden. In de conclusie stelde ik dan ook dat de financiële crisis van de welvaartsstaat, de toenemende immigratie en de sociale entropie creatief en vooruitziend beleid zouden vergen. Bovendien '(…) zou [het] te wensen zijn dat Nederland opnieuw de orde en vrijheid zou kennen die dit land in de jaren zestig tot een begerenswaardige maatschappij maakten. Maar die tijd, toen Nederland overstroomde van welvaart, hoop en, ja, verdraagzaamheid, lijkt te verdwijnen en er zijn geen garanties dat 'bij-de-tijd-blijven' dezelfde aangename resultaten zal brengen in minder vriendelijke tijden.'
 Deze zinnen schreef ik begin 1995, toen de zaken nog wat hoopvoller waren. Maar zelf had ik op dat moment zorgen over de ideologische leegheid onder Nederlandse elites, en de vraag of ze moeilijker tijden zouden kunnen doorstaan.

Verkruimeling

Deze moeilijker tijden kwamen rond de eeuwwisseling, toen lidmaatschap en participatie in het klassieke verenigingsleven verder verminderde, de oude vervangen werden door nieuwe media en de populistische politiek hoogtij vierde na de opkomst van Pim Fortuyn. Nederlandse elites konden in de jaren 60, ondanks alle uitdagingen die op hun pad kwamen, nog altijd werken binnen vaststaande structuren. De grote instituten waren nog machtig, de klassieke media invloedrijk, de kerken zaten een stuk voller en politieke partijen konden rekenen op een grotere en trouwere achterban. Toegegeven: ook de jaren 60 kende haar stoorzenders, zoals de Boerenpartij en piratenzenders. Toch is het ontegenzeggelijk dat elites destijds gemakkelijker konden omgaan met veranderingen, dan hun contemporaine evenknie in de huidige onvoorspelbare wereld van informele netwerken, sociale media en ongebonden electoraat.
 Maar de verdere verkruimeling van de samenleving is tegelijkertijd bespoedigd door maatschappelijke en politieke elites die niet zo goed wisten – en weten – waar ze voor moeten staan. Bovendien is de steeds verdere institutionele verzwakking van de traditionele civil society een belangrijke factor. Denk bijvoorbeeld aan woningcorporaties die veranderden in stichtingen en (dus) hun aloude opdracht als 'vereniging' loslieten. Onderwijsorganisaties werden steeds meer bepaald door een betrekkelijk kleine groep professionals. Religieuze organisaties met oorspronkelijk diepe wortels in de samenleving, zoals het Leger des Heils en Pax Christi, werden vanaf de jaren 80 steeds meer raadgevers en uitvoerders van overheidsbeleid. Door economische veranderingen daalde de betekenis van de vakbonden, en door ideologische implosie schurkten de grote politieke partijen steeds meer aan tegen de staat. De afstand tussen de elites die deze organisaties beheerden en een bredere achterban viel vaak weg.
 Dit alles hoefde niet een probleem te zijn, zolang alle delen van de bevolking hier genoegen mee namen. Dat leek enige tijd het geval te zijn. Politicologen maakten zich vanaf omstreeks 1990 zorgen over 'de kloof' tussen de gevestigde politiek (en maatschappelijke instanties) en de Nederlandse burgerij. Toch vonden ze die kloof (destijds aangeduid als een 'ideologische onderkoeling'), in een tijd waarin de bevolking genoegen nam met de hoogconjunctuur, niet werkelijk problematisch.

Sturingsmechanismen

Net als in de jaren 60 pasten de Nederlandse elites zich in de 21ste eeuw aan, om ook in veranderde tijden hun achterban en stakeholders aan zich te binden. Het verschil is echter dat de contemporaine elite beheerst wordt door twee emoties. Aan de ene kant heerst er een gevoel van ontreddering: sommige elites begrijpen nog steeds niet hoe Fortuyn (en zijn opvolgers) zo’n grote steun had kunnen krijgen in de samenleving en proberen wanhopig de band met hun achterban weer aan te halen. Dat valt niet mee in een tijd waarin de 'elite' als een monolithische groep van incompetente zakkenvullers wordt gepercipieerd.
 Maar aan de andere kant is er nog altijd sprake van een onthutsende zelfingenomenheid waarin gelijkgezinde bestuurders zich terugtrekken in hun eigen netwerken, of plannen maken die absoluut niet meer aansluiten bij de werkelijkheid. Dit geldt met name voor organisaties zoals kerken, politieke partijen en maatschappelijke organisaties, die zich nog altijd diep geworteld in de samenleving achten, zonder dat er van echte aansluiting sprake is. In die zin heeft de verdere ontwikkeling van de samenleving geleid tot de zelfisolatie van elites. Deze houding is heel anders dan dat van hun voorgangers in de jaren 60, terwijl die laatsten nog een reden hadden om te denken dat zij de samenleving konden vernieuwen.
 Nederlandse elites hebben in de jaren 60 bijgedragen aan de bouw van Nieuw Babylon: de maatschappij die de geschiedenis leek te zijn ontstegen en creatieve individuen een basis gaf met voldoende welvaart en zekerheid om zich naar eigen inzichten te ontplooien. Ze hebben ook de sociale veranderingen die het land in dat decennium overspoelde gekanaliseerd en in goede banen geleid.
 Maar anno 2017 zorgt het ontbreken van een toekomstvisie, een heldere afbakening van verantwoordelijkheden en representatieve instituties ervoor dat hun sturingsmechanismen ineffectief zijn. In deze context zorgen meegaandheid en aanpassingsvermogen niet voor kanalisering, maar katalyseren ze hoogstens. Het zal een grote opdracht voor de elites van de komende tijd zijn om bescheiden en in kleine stapjes meer vertrouwen terug te winnen.

James Kennedy is historicus en als decaan van het University College Utrecht verbonden aan de Universiteit Utrecht. Dit artikel is deels gebaseerd op de nieuwe inleiding van zijn boek Nieuw Babylon in aanbouw, dat in 2017 bij uitgeverij Boom in een herdruk is verschenen.